home loopbaan instrumenten   literatuur 

loopbaan
 

Cornelis Jacobus Henderikus Blomhoff wordt geboren op 19 maart 1887 in Leeuwarden. In zijn jeugd woont hij enkele jaren in Duitsland. Het gezin is vanwege arbeidsmigratie naar Barmen-Elberfeld verhuisd. Wanneer Cornelis 13 jaar is, komt zijn vader om het leven bij een bedrijfsongeval. Vader Hans is als stukadoor werkzaam bij een huis in aanbouw in Elberfeld. De weduwe - Elisabeth Hamringa - gaat naar Leeuwarden terug, waar zoon Albert het stukadoorsbedrijf voortzet.
 
Cornelis komt in de leer bij zijn oom, Jetse Hamringa, “timmerbaas” in Dronrijp. Hij leert daar niet alleen het timmervak, maar ook de verfijning daarvan op artistiek terrein, zoals snij-, beeldhouw- en inlegwerk.
 

Cornelis Blomhoff in de werkplaats van het Sint Anthonij Gasthuis in Leeuwarden. Foto Klaas Kueter, solocellist Frysk Orkest.

Na betrekkingen bij enkele aannemers wordt Cornelis in 1912 aangesteld als timmerman bij het Sint Anthonij Gasthuis in Leeuwarden. Architect Willem Cornelis de Groot heeft hem bij het bestuur van het Gasthuis aanbevolen vanwege zijn vakmanschap. Daar kan hij zijn kennis en vaardigheid gebruiken bij het restaureren van meubels en betimmeringen. In de spaarzame vrije tijd begint hij met het bouwen van muziekinstrumenten. De belangstelling voor het bouwen van violen is - volgens een overgeleverd verhaal - ontstaan door een pijnlijk voorval. De jonge Cornelis had stiekem op de citer van zijn oudste broer gespeeld. Daarbij was het instrument beschadigd geraakt. Er zat niets anders op dan de citer onzichtbaar te repareren om te voorkomen dat zijn broer het onheil zou ontdekken. Dat lukte.
 
De eerste violen zijn een succes en vinden aftrek bij zowel beroepsmusici als amateurs in Leeuwarden. Nieuwbouw en reparatie van strijkinstrumenten levert een aardige bijverdienste op. Hoewel dit werk in de vrije tijd moet gebeuren, moedigt het bestuur van het Sint Anthonij Gasthuis hem aan om op de ingeslagen weg door te gaan.
 
In juni 1928 vindt de grote Nederlandse Muziektentoonstelling plaats in Scheveningen. Cornelis Blomhoff besluit om enkele violen in te zenden. Dat heeft heel wat voeten in aarde, want op het moment dat de tentoonstelling wordt aangekondigd, heeft hij geen nieuwbouwviolen in voorraad. Dat betekent dat enkele maanden lang alle vrije uren – soms tot diep in de nacht – aan een tweetal violen wordt gewerkt. De moeite is niet vergeefs, want de tentoonstelling wordt voor hem een succes. Hierdoor wordt zijn naam over de gehele wereld bekend. Violist, vioolpedagoog en conservator van het Muziekhistorisch Museum Scheurleer in Den Haag, Dirk J. Balfoort schrijft hem na afloop van de tentoonstelling: “… dat Uwe inzending een buitengewoon succes geweest is en algemeen de aandacht getrokken heeft. Zij zijn dan ook zeer mooi gemaakt en klinken uitstekend. Toen er niemand aanwezig was heb ik gelegenheid gehad Uwe instrumenten te bespelen, waarbij ik getroffen werd door den aangenamen, helderen en grooten toon.”
 
Behalve violen, altviolen en cello’s bouwt Cornelis Blomhoff ook een aantal “historische” instrumenten. In Leeuwarden treedt in die jaren het ensemble Collegium Musicorum op. De musici spelen op door Blomhoff gemaakte kopieën van oude instrumenten als de quinton, viola da gamba en viola da brachio. Het Collegium Musicorum speelt repertoire uit de tijd van de instrumenten en gaat gekleed in kleding van de achttiende eeuw.


 
Het Collegium Musicorum uit Leeuwarden. De quinton van Roel Sipkens (m.), de viola d'amore van Salvatore Sterck (r.) en de viola da gamba van Klaas Kueter (l.) zijn gemaakt door Cornelis Blomhoff. Tweede van links Henk Gramsma en aan het clavecimbel Coba Kueter-Zwager.

Cornelis Blomhoff maakt ook naam als strijkstokmaker. Zijn laatste serie violen bouwt hij in 1953. Meer nog dan als bouwer van nieuwe instrumenten weten de leden van het Frysk Orkest en vele amateurs Blomhoff te vinden voor reparaties en restauraties.
 
Eind jaren vijftig stopt Blomhoff ook met reparaties. Hij overlijdt op 24 december 1967 in Steenwijkerwold.